Waterschap                        
 
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 

Tekst inspraak J.S.Ellerbroek ten aanzien van Pilot Ronde Hoep
 
  1. Het probleem
 
Voor mijn stellingname ga ik terug naar de basis van het voorliggende probleem en de oplossing die overwogen wordt.
Er is volstrekte overeenstemming over het feit dat door de dalende bodem, stijgende zee-spiegel en wellicht toenemende regen Nederland drie problemen heeft:
  1. de stijging van de rivieren
  2. de directe bedreiging voor aan zee gelegen laagland
  3. de afwatering van de de laaggelegen gebieden
 
Deze problemen zijn structureel van aard en zullen naar verwachting toenemen.
 
  1. De bestuurlijke aanpak
 
De strategische keuze heeft twee principiele opties:
 
  • “Verdediging” :   Het gehele land behouden tegen elke prijs
  • “Terugtrekken”: Het aan het water teruggeven van sommige gebieden, waar de kosten-baten-analyse zo ongunstig uitvalt dat behoud van de grond onbetaalbaar of maatschappelijk onverantwoord is.
Dit is geen hypothese want een dergelijke optie wordt bijvoorbeeld op dit moment serieus overwogen ten aanzien van de polder Groot Mijdrecht en ook bij de uiterwaarden van de grote rivieren.
Met de eventuele bewoners zal een 100% regeling moeten worden getroffen
 
3. De verdediging
 
Voor de verdediging zijn de drie genoemde problemen verschillend van aard en vereisen derhalve ook een verschillende infrastructurele aanpak.
Verhoging van de dijken moet voor alle gevallen, verbreding van de afwatering en waterbuffers voor piekbelasting komen in aanmerking voor de rivieren en ook voor de regenoverlast, terwijl de pompen een cruciale rol spelen voor afwatering van de lage gebieden.
Voor deze infrastructurele middelen moet een adequate financiering beschikbaar zijn.
 
4. Rampenplan
 
Zoals bij ieder veiligheidsrisico is het noodzakelijk dat er rampenscenario’s worden opgesteld.
Voor de waterhuishouding moeten deze scenario’s vergelijkbaar zijn met andere rampenscenario’s zoals bijvoorbeeld terreuraanslagen, vliegtuig- en treinongelukken, etc. waarbij vooraf zo goed als mogelijk prioriteiten en eventuele noodmaatregelen worden vastgelegd (“what-if”)
 
Wat is nu een ramp bij de waterhuishouding ?
Een ramp is een onvoorstelbare, en dus onvoorspelbare situatie, zoals bijvoorbeeld
een orkaan met windkracht boven de 12 of het volkomen onvoorzien doorbreken van een dijk.
 
De kosten voor deze maatregelen mogen echter nooit onttrokken worden aan de eerder genoemde investeringen voor de infrastructuur voor de zogenaamde “verdediging” . 
 
 
      5.    De situatie ten aanzien van de Pilot Ronde Hoep
 
Kort samengevat bestaat de beschreven “ramp “- situatie uit 3 componenten:
  • Extreem veel regen
  • Extreem hoge waterstand in IJsselmeer en Noordzee.
  • Falend pompsysteem
 
Deze situatie is geen ramp of calamiteit volgens de eerder genoemde definitie.
Nog sterker: men mag voor de eerste twee omstandigheden (extreme regen en waterstand) verwachten dat in de loop van de tientallen jaren de kans op deze situatie zodanig zal toenemen dat hij “normaal” binnen de maximum capaciteit van de infrastructuur zou moeten vallen.
 
Ten aanzien van een mogelijk falend pompsysteem is het belangrijk het volgende op te merken.
In een informeel overleg met de bewoners heeft een vertegenwoordigster van het Waterschap ruiterlijk toegegeven dat er in dit verband nooit uitputtend overleg heeft plaats gevonden met Rijkswaterstaat, die verantwoordelijk is voor het pompsysteem.
Aldus zijn tot nog toe andere structurele oplossingen terzijde geschoven, enerzijds omdat het Waterschap bij voorbaat wist vast te stellen dat de oplossingen in het domein van Rijkswaterstaat toch te duur zouden worden, anderzijds omdat de overlegstructuur tussen Waterschap en Rijkswaterstaat als moeizaam en stroef werd gekwalificeerd.
 
Feitelijk wordt de Ronde Hoep aldus bestemd tot een gecontroleerde en aanvankelijk niet gebruikte ”waterbuffer” voor piek-belasting, dit tegen een getaxeerde prijs van 2-8 miljoen.
Daarmee is de Ronde Hoep een goedkope oplossing van een de facto infrastructureel probleem geworden.
 
6.       De konsekwenties
 
·        Als de overheid het gebruik van een polder als waterbuffer als dus als een deel van de infrastructuur gebruikt, dan moet ze dat eerlijk zeggen en het niet verkopen als een rampenplan.
Het is sowieso uit den boze om de bewoners mede te delen dat als de medewerking onvoldoende zou blijken te zijn “de dijken op gezag van de Commissaris der Koningin altijd doorgestoken kunnen worden”.
Met andere woorden: “ als het niet goedschiks gaat, dan maar kwaadschiks”
Ik citeer hier de voorzitter van het Waterschap op een voorlichtingsavond begin 2006
 
·        Het gebruiken van waterbuffers voor piekbelasting in de infrastructuur is een glijdend proces, er zullen in de loop van de tijd steeds nieuwe buffers (polders?) nodig zijn en daarmee is de strategie van “verdediging” de facto min of meer overgegaan in “terugtrekken”, zij het steeds op tijdelijke basis, want het is dan wel de bedoeling de betreffende polder weer leeg te malen.
Het psychologisch effect van een buffer mag bovendien niet worden onderschat:
Immers: “We kunnen voorlopig de infrastructuur met rust laten, want we hebben altijd nog de Ronde Hoep achter de hand”.
Het is belangwekkend dat uit een gesprek met de dijkgraaf van het Waterschap Hollandse Delta mij is gebleken dat men daar het gebruik van bewoonde waterbuffers afwijst.
Er is dus geen sprake van een landelijke gedragslijn.
 
·        Het zogenaamd gecontroleerd (“de 70cm”) gebruik van een waterbuffer bij een calamiteit is een tegenspraak in zichzelf en dus een doek voor het bloeden.
Een calamiteit dient immers een onvoorstelbare en onvoorspelbare gebeurtenis te zijn en dus hoe weet men zo precies hoeveel buffer men nodig hebt?
Zou de Commissaris van de Koningin dus werkelijk ingrijpen als deze hoogte in de praktijk zou worden overschreden ?
 
 
7.       Conclusie
 
De overheid moet klare wijn schenken ten aanzien van de keuzes voor de infrastructuur.
Er dient dus een gecoordineerde en onderling afgestemde aanpak tussen waterschappen en Rijkswaterstaat te zijn, waarbij men elkaar niet de financiele bal toespeelt over de rug van de burger.
           
Mocht men onverhoopt toch kiezen voor het inschakelen van een aantal bewoonde buffers dan dient dat op een landelijk overeengekomen beleidslijn te zijn gebaseerd, en niet opportuun per waterschap.
De kostenvergoeding moet dan bovendien een geheel andere zijn dan die onder het bestaande reglement reguliere “calamiteit”-vergoeding wordt omschreven.
Planschade is dan immers per definitie aan de orde want de schade is onderdeel van een infrastructureel plan.
 
 
 
© De Rondehoep, Deze pagina is het laatst gewijzigd op: 27-02-2010